Matthew

Posted on 10 december 2016

1


Wat hebben Gerard Cox, Depeche Mode, Het Groot Niet Te Vermijden Dans/Show Orkest, Herman Brusselmans, Sonic Youth, Dmitri Sjostakovitsj, Smashing Pumpkins, Kees van Kooten, Dinosaur Jr. en Johann Sebastian Bach gemeen? Simpel: ze stonden in de afgelopen dertig jaar allemaal in de Grote Zaal van De Doelen te Rotterdam op hetzelfde moment dat ik daar ook was, nou ja, Dmi en Jo natuurlijk niet echt want die zijn al jaren dood.

Ja, De Doelen, daar ben ik al vaak geweest, een paar weken geleden nog, maar gisteravond betraden M en ik er een nieuwe wereld. Op de bühne geen Nederlandstalige entertainers in het kader van het traditionele zondagochtendconcert, geen Britse synthpop of Amerikaanse noise en grunge avant-la-lettre en ook geen gerenommeerde schrijvers ter lering en vermaak van honderden scholieren en docenten Nederlands. Nee, een orkest, een écht orkest, geen dans- en show-, met toeters en bellen en bladmuziek en een dirigent en honderdtwintig muzikanten, honderdtwintig, ja. Ik had er speciaal mijn goeie schoenen voor gepoetst.

Hebben we een nieuwe hobby? Misschien. Tijdens de inleiding, in een ander zaaltje, dacht ik nog in een bejaardensoos te zijn beland, nog nooit zo veel grijze hoofden bij elkaar gezien, maar de gemiddelde leeftijd van het volledige concertpubliek bleek ongeveer de helft te zijn. Na een sfeervol mopje Bach in een arrangement van Leopold Stokowski, je weet wel, Leo voor vrienden, was het pianostuk voor linkerhand van ene Hans Abrahamsen wel even wennen, met de rechterhand erbij had het misschien voller geklonken, maar wie ben ik, ik heb er geen verstand van, en uiteindelijk kwam het toch nog wel goed. Toen het afgelopen was, stond die Hans ineens in het echt op het podium, zomaar uit het niets, met zijn lamme rechterarm op half zeven en een bos bloemen in zijn linker. Een Deen. Had ik dat geweten, dan had ik hem een doosje Deense remoulade laten meebrengen, van het merk K-Salat. Maar ja.

Na de pauze barstte het écht los, met de vierde symfonie van Sjostakovitsj. Het zou overdreven zijn om dit geweld als een levensveranderende ervaring aan te merken, maar ik doe het toch. We zijn toen maar meteen fan geworden van een van de solobassisten van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, Matthew Midgley, omdat hij zo lekker op zijn contrabas van bijna tweehonderd jaar oud zat te strijken en te tokkelen, maar ook omdat hij zo nonchalant zat te kijken als hij niets te doen had. Die andere honderdnegentien deden trouwens ook enorm hun best, net als de dirigent, Yannick Nézet-Séguin. Het viel wel een beetje tegen dat die ouwe Rus niet op het podium verscheen. Desondanks duurde het applaus een kwartier, ik heb er nog lamme armen van.

Gelukkig kon ik me ook nog ergens aan ergeren. Vijftienhonderd mensen die hun kuchjes, hoestjes, rochels en natte winden zorgvuldig opsparen tot de pauze, en twee ongelofelijke mutsen schuin achter ons die gezellig door de strijkers heen zitten te keuvelen. Maar meer dan de helft van het concert hebben ze niet verziekt.

Advertenties
Posted in: Cultuur