Ad [2]

Posted on 5 november 2012

3


Ik was de eerste die het gastenboek tekende. Naam, adres, woonplaats. Een mooie herinnering aan de overledene. Er schoot me niets te binnen, op dat moment. “Denk er nog even over na en schrijf het er straks in,” zei iemand naast me.

De plechtigheid. Het eerste wat ik dacht: “Hij kan toch nooit in die kist passen?” Een oud nummer van de Stones, ik nam me voor te onthouden welk nummer, zodat ik het later hier zou kunnen opschrijven. Ik ben het vergeten. En het allerslechtste gedrocht ooit van David Bowie. Die had ik wíllen vergeten, maar dat lukt dan weer niet. Zal je altijd zien.

Dappere, stoere voordrachten van zijn kleinkinderen, herkenbare herinneringen van zijn jongere broer. “Ga je nog bier halen?” Hij had veel van hem geleerd. Zuipen, blowen, vloeken. Ik wilde applaudisseren, maar ik durfde niet, dat doe je niet tijdens een uitvaartplechtigheid, denk ik. Stom, achteraf, mijn oude vriend had het zeker gewaardeerd.

Een paar oude bekenden. Niet veel. Hij bezat een uitzonderlijk talent tot brouilleren. Wat overblijft is de harde kern, allemaal met hetzelfde verhaal: “Ik wilde wel, maar het kwam er niet van.” Dat mistroostige huis in De Beverwaard, vol schimmen uit het verleden. Niemand die ons ongelijk gaf, maar we hadden het wel.

O ja. Een mooie herinnering aan de overledene. Toch weer vergeten.

Die grote man in zijn vieze ketelpak, altijd in zijn kantoor, aan zijn bureau, met een fles bier of wijn. Vrijwel nooit onder een auto op de hefbrug, of onder een motorkap. De oude Peugeots leken een afleidingsmanoeuvre, een schijnbeweging.

De bijnamen van zijn auto’s, vroeger en nu, die we allemaal geacht werden te kennen. Vlaflip, Mudshark. De boutencentrale: enorme bakken ongesorteerde bouten, ringen en moeren, ik droom er nog weleens van als ik een virus onder de leden heb.

De herenpartijtjes op zijn verjaardag, bij hem thuis, met verhalen van vroeger, van voor mijn tijd, de gloriejaren, over high worden op hoestdrank, torens van bierkratten, ‘garage Rondeel, weinig voor veel’. Bier en tabak op tafel, zijn zoons en een paar Peugeotrijdende kunstenmakers eromheen. Badgasten. Het werden er steeds minder.

Dat ik, onderweg naar huis, op de vluchtstrook met een kokende motor, ontdekte dat er een waterslang tussen het cilinderblok en de cilinderkop geklemd zat, waardoor ik om de pakweg twee kilometer de radiateur moest bijvullen met regenwater uit het gootje langs de vangrail.

Dat ik vertelde dat we, op vakantie in Frankrijk, twee mooie klassieke Peugeots te koop hadden zien staan, en dat hij toen meteen met mij mee naar huis wilde om telefonisch met die Fransman te onderhandelen. Wat hij ook deed, stomdronken, vloekend en tierend in vloeiend Frans. De koop ging niet door. Daarna zakte hij door onze stoel.

Dat hij altijd blij was me te zien. Dat niet iedereen alles tegen hem kon zeggen, maar ik wel. Ik weet ook niet waarom.

Mijn dochter, net drie maanden oud, in zijn grote, trotse armen.

Dus als iemand dat nog even in het boek wil schrijven: graag.

Posted in: Autobio, Automotief