Ad

Posted on 30 oktober 2012

3


1990. Onder de ruitenwisser van mijn oude Peugeot 404, geparkeerd op de Mauritsweg in Rotterdam, zit een A4’tje gefrommeld. De Ploeg van Ogg, voor alle werkzaamheden aan oude typen Peugeot. ’s Zaterdags open, van 10.00 tot 15.00 uur. Handgeschreven.

Ik heb wat dingetjes nodig, dus die zaterdag rij ik, samen met een vriend, op goed geluk naar het adres in Hendrik-Ido-Ambacht. Een grote houten schuur, achter een woonhuis. Niemand te zien, vergrendelde deur. We lopen om, zien aan de achterkant een paar oude Peugeots. Hier is wel een deur open. Aarzelend betreden we de loods, afgeladen met halfvergane auto’s, stapels deuren, motorkappen, bergen motorblokken. Georganiseerde chaos.

Een barse stem, vanuit het niets, laat ons op niet mis te verstane wijze weten dat we aan de voorkant binnen hadden moeten komen. Een grote, zware man in een blauw ketelpak komt dreigend op ons af, lang wit haar, woeste baard. Ik ben een beetje bang. In een walm van alcohol blaft de reus ons toe wat we nodig hebben. Ik durf mijn lijstje bijna niet tevoorschijn te halen.

Le Patron. Te midden van lege bier- en wijnflessen zit hij aan het stalen bureautje in zijn kantoor, mijn lijstje in zijn enorme handen. De wanden gaan schuil achter stellingkasten met plastic bakken vol bouten, moeren, dynamo’s, bougiekappen, benzinepompen. In die bakken moeten ook de door mij gewenste onderdelen zitten, hij heeft nu geen zin om te zoeken. Hij zal me bellen.

Als iemand me toen, tweeëntwintig jaar geleden, in mijn oor had gefluisterd dat deze angstaanjagende man en ik goed bevriend zouden raken, dan had ik hem voor gek versleten. Menig lunchpauze heb ik tussen de stellingkasten doorgebracht, luisterend naar benevelde en gedrogeerde verhalen uit vervlogen tijden. Maar ook in zijn rijtjeshuis in de Beverwaard, waar de stellingkasten boekenkasten waren, ik heb nog nooit zoveel boeken in een huiskamer gezien. Wijn drinkend, tabac gris rokend, luisterend naar Zappa, The Stones, White Noise, The Soft Machine.

Ik zocht hem op als zijn psoriasis hem in het ziekenhuis deed belanden, soms een herseninfarct.  In de gevangenis, waar hij kilo’s verkeersboetes uitzat. Ik haalde hem van het politiebureau, nadat hij beschonken achter het stuur had gezeten. Van mijn auto. Die we daarna gingen zoeken, hij had geen idee meer waar hij stond.

Ik was erbij toen zijn vrouw werd begraven, de zorgzaamste vrouw ooit. Met elkaar leven konden ze niet, zonder elkaar nog minder. Zij zoop en rookte niet tegen de klippen op, woog geen 150 kilo, was altijd gezond. Zij ging, hij niet. Vanaf dat moment wilde hij eigenlijk niet meer. Maar er kwamen kleinkinderen. Mensen om voor te leven.

Twee jaar heb ik hem niet gezien, denk ik. Hij stuurde trouw zijn nieuwjaarskaart, verjaardagskaarten voor onze kinderen, maanden te vroeg maar wat maakt het uit. Ik wilde zó vaak gaan. Maar het was makkelijker om niet te gaan. Ik kan het niet anders zeggen en ik schaam me ervoor.

Vanmiddag belde zijn zoon. Ik wist het al voordat hij het zei.

Ad is dood.

Posted in: Autobio, Automotief