Wolność

Posted on 23 mei 2012

0


Zomer 1978: de meest indrukwekkende vakantie ooit. Het kan ook 1979 zijn geweest, ik was 13 of 14 en we gingen naar Polen. Het IJzeren gordijn hing nog, zwaar en plooiloos. Alleen als je werd uitgenodigd ging het op een kier, heel even.

Henryk en Monica heetten ze, geloof ik, de Polen die we enkele jaren eerder in een ander Oostblokland hadden ontmoet. Het verhaal ging dat Robert, hun zoontje, naar mij was vernoemd, maar dat heb ik misschien gedroomd. Henryk werkte bij de staatstelevisie. Het gezin woonde in een troosteloze zee van betonblokken, grauw en grijs, in een buitenwijk van Warschau. We sliepen met z’n achten in het piepkleine flatje. Toch was Henryk belangrijk, dat zag je meteen, want terwijl iedereen in een Polski Fiat reed, had hij een Volkswagen kever. Bovendien was de uitnodiging van een gewone sterveling niets waard.

Henryk en Monica lieten ons de hoofdstad zien, met de rijkdom van diplomaten die in de rest van het land ongekend was. Maar de weg naar Warschau is lang, dus we waren ook al op andere plekken geweest. Auschwitz, bijvoorbeeld. We mochten eigenlijk niet mee naar binnen, mijn broer, mijn zus en ik. We waren te jong. Of misschien mocht mijn oudere broer wel, de rest niet. Ik durf te beweren dat we niet vaak zeurden, maar toen wel. De beelden van de verbrandingsovens, de bergen ziekenfondsbrilletjes, versleten schoenen, gevangenispakken: ze staan nog altijd in mijn geheugen gegrift.

Nog schokkender was wat er gebeurde op het marktplein van een stadje waarvan ik de naam niet meer weet. Misschien weet mijn moeder het nog, ik zal het eens vragen. Mijn vader fotografeerde een groentestalletje, ik sloeg het van een afstand gade. Even verderop stopte een politiebusje. Twee agenten stapten uit. Grappig, dacht ik nog, het lijkt net of ze recht op mijn vader aflopen. Minder grappig werd het toen ze hem bij de schouders pakten en naar het busje voerden. Met de schuifdeur nog maar half dicht stoof het busje weg over de keien, mijn moeder er achteraan, hysterisch schreeuwend.

Het leek een halve dag later dat hij op dezelfde plek weer werd afgezet, waarschijnlijk was het niet meer dan een kwartier. De agenten spraken over de radio met iemand op het bureau en werden genadeloos uitgekafferd, waarna ze direct rechtsomkeer maakten. Geen verklaring, geen excuses, niets. Ik geloof dat we nog hebben getracht verhaal te halen, dat was wel iets voor mijn vader. Zonder resultaat, maar wel een puntje voor de poging.

Dat was allemaal 34 jaar geleden, of 33. Nu ben ik er weer terug, als één van de begeleiders van een maatschappelijke stage voor vwo4-leerlingen. Het gordijn is naar de ijzerboer, de zon schijnt volop naar binnen. Van de Polski Fiats zie je alleen nog het kleinste type, af en toe. Reclames schreeuwen overal vandaan. We zijn in dat deel van het vrije westen waar het Oostblokbeton nog altijd overheerst. En zonneschijn kan ook schijn zijn.

Wolsztyn is mooi. Het kindertehuis, een week lang óns huis, is mooi. De verhalen zijn bitter.