Rotterdammers

Posted on 6 augustus 2011

2


We hebben een vakantiehuis Aan Zee. Een zomerhuis. Een buitenhuis. Een recreatieve woning. Het lijkt heel wat, als je het zo zegt. Het klinkt als een villa in de duinen. We worden wakker, slaan de openslaande deuren open, rennen het strand op, recht de zee in.

Zo is het dus niet. Het houten huisje, pakweg drie meter breed en elf meter lang, staat tussen andere houten huisjes. Mijn moeder van 73 noemt het steevast een caravan, maar het is geen caravan. Het lijkt er niet eens op. We hebben een voortuin en een achtertuin, hoewel ik niet weet welke kant voor is en welke kant achter. Om bij de zee te komen, moeten we eerst het terrein af, een weg oversteken, zo’n halve kilometer bos en duinen doorkruisen en over een heel hoge berg zand klimmen. Maar toch: het kan erger.

Officieel heet het een camping, waar het huisje staat, maar het is geen camping. Bij een camping denk ik aan tenten, vouwwagens, caravans, butagasstelletjes. Er zijn geen tenten, vouwwagens en caravans. Ja, stacaravans, dat wel. Butagasstelletjes misschien ook. Het is meer een park, hoewel de naam van de bushalte suggereert dat het een kamp is. Een zigeunerkamp, maar dan met huisjes. Op het kamp heerst de sfeer van een volkstuinencomplex. Denk ik. Ik ben nog nooit op een volkstuinencomplex geweest.

Op het kamp wonen vrijwel alleen Rotterdammers. Die Rotterdammers – stratenmakers, buschauffeurs, vrachtwagenchauffeurs, V&D-caissières, kantoorklerken in de Waalhaven en ze heten allemaal John, Cor of Aad – praten heel erg Rotterdams. Rotterdamser dan Gerard Cox, Jules Deelder, Martin van Waardenberg en Patricia Paay bij elkaar. Ze zeggen geen ‘mazzel’ maar ‘marzel’. Allemaal. Geen ‘aan’ maar ‘an’. Geen ‘heeft’ maar ‘heb’. Geen ‘gefeliciteerd’ maar ‘gefaiciteerd’.

Ik ben geen Rotterdammer, maar ik heb er wel gewoond. Mijn vrouw is geboren Rotterdammer, dus die kan het ook een beetje. Hoewel ik praten met andere mensen tot een minimum beperk, raak ik soms in gesprek met zo’n Rotterdammer. En dan ga ik, heel gek, ook een beetje Rotterdams praten. Niet heel erg, maar ik hoor het zelf, dus dan hoort een ander het ook. De Rotterdammer dan weer niet, natuurlijk, want die praat veel Rotterdamser. Mijn vrouw, die het praten met andere mensen en dus ook het praten met de Rotterdammers maximaal uitbuit en tot kunst verheft, klinkt dan bijna Rotterdamser dan Gerard Cox, Jules Deelder, Martin van Waardenberg, Patricia Paay, John, Cor en Aad bij elkaar.

Dat brengt mij tot de volgende conclusie: Rotterdammers die heel erg Rotterdams praten, praten eigenlijk helemaal niet heel erg Rotterdams. Ze praten ongeveer zo Rotterdams als ik praat wanneer ik met een Rotterdammer praat. Ze zeggen dan misschien geen ‘gefeliciteerd’, maar toch minstens ‘gefailiciteerd’. Dat heel erg Rotterdams praten doen ze alleen als ze met een andere Rotterdammer praten, of met een Rotterdammer-achtige zoals ik. Ze versterken elkaar. Niet opzettelijk: het gaat gewoon vanzelf, er is niets tegen te doen.

En Gerard Cox, Jules Deelder, Martin van Waardenberg en Patricia Paay doen dat dan weer na.