Boom

Posted on 13 december 2010

0


Ik sleep een behoorlijk exemplaar, mét kluit, naar de inpakmeneer. Verdomme, klotenaalden, vergeet ik wéér mijn handschoenen, zal wel bij de traditie horen. Ik krijg een bonnetje met een nummer, daar moet ik mee naar de kassa, kilometers hier vandaan. Zo’n tuincentrum, daar komt geen einde aan, het is een nachtmerrie. Bij iedere hoek denk ik dat ik kassa’s zal zien, maar ik zie alleen méér planten, potten, kerstballen, kussens en lantaarns, heel in de verte een nieuwe hoek die misschien verlossing brengt. Veel vertrouwen heb ik er niet in.

Als ik de hoop om te ontwaken heb opgegeven, ben ik toch ineens bij de kassa. Ik reken twintig euro af, klem het bonnetje in mijn hand, stap in de auto, rij gespannen naar de afgifteplaats, dezelfde plaats waar ik net al was, bij de inpakmeneer. Ik rij er slechts twee keer voorbij.

Geen plek natuurlijk, ik parkeer driedubbel, alarmlichten aan. Ik ruil het bonnetje voor de ingepakte boom, geen naalden meer in de auto, zoals vroeger. Achterklep open, boom er half in, boom er weer uit, linkerhoofdsteun demonteren, boom er weer in, nu helemaal. Zenuwachtig getoeter, ik sta in de weg, middelvinger.

Met de top tegen mijn achterhoofd rij ik naar huis. Dat prikt, ondanks de verpakking.

De boom er weer uit. Gat in het plastic, toch naalden in de auto. Naar binnen, door de keuken, meteen de tuin in. Waarom doe ik dat eigenlijk altijd in de tuin, de kerstboom uitpakken? Terug naar binnen, veel te koud. Er is een grote witte bloempot geprepareerd. Ik leg de boom neer, knip aan de onderkant het plastic los, stroop het van het emmertje af, ik weet weer waarom ik het altijd in de tuin doe. Overal modder.

Met emmer en al in de pot. De scheefheid is ondraaglijk, de aarde keihard, ik sjor aan de stam, zonder resultaat én, nog altijd, zonder handschoenen. Ik prop van alles tussen de wand van de bloempot en de modderige emmer, stukken karton, plastic bordjes, gezinsleden smeken mij hem scheef te laten staan maar ik kán het niet, ik vervloek de vermeende schepper, wat bij dit heidense gebruik natuurlijk volkomen onterecht is.

Uiteindelijk geef ik me gewonnen, ik blaas uitgeput de aftocht, de kinderen nemen het over. Knopen in de kerstverlichting worden moeizaam ontrafeld, er wordt gecommandeerd, gegild, per ongeluk of expres op lampjes getrapt, er valt er een naast me op de bank neer, kwaad, armen over elkaar. Geschreeuw, gesus, zeg jij er eens wat van.

De wapenstilstand wordt bezegeld, het werk hervat. Een handvol terugvallen en incidenten later hangt alles wat nog heel is in de takken. De vloer is bezaaid met naalden, scherven, modder. Ik knip, op uitdrukkelijk verzoek, een stukje van de top af, te kort, roept iedereen. De piek staat nog schever dan de boom.

Uitgeteld liggen we op de bank. “Goed gedaan,” zeg ik, “zo’n kerstboom is voor niemand leuk, maar het moet nu eenmaal.” Ze knikken. Vrede. Misschien niet op aarde, maar wel in de huiskamer.

Posted in: Autobio