Teenpijn

Posted on 24 mei 2009

0


Voor het eerst in mijn leven heb ik teenslippers gekocht. Teengrijpers heten ze op de site van de fabrikant. Geen flapdingen van één vijfennegentig bij de Schoenenreus, dat geklepper drijft me tot waanzin, nee, stevige stappers van dik vijftig euro, leer en kurk met een verstelbaar bandje, gezondheidsschoeisel dat zijn oorsprong vindt aan ziekenhuiszustersvoeten, maar tóch modieus. Voor dat laatste heeft Heidi Klum gezorgd, las ik ergens. Had ik geweten dat er “muilen sportief” op de bon zou staan, dan had ik van de aankoop afgezien. Maar dit terzijde.

Een wonder: de allereerste schoenwinkel waar we ons deze koopzondag begeven hééft ze gewoon. De muilen sportief van mijn dromen, in de juiste maat. Ik heb namelijk maat 48, soms 47. De gemiddelde schoenenspeciaalzaak houdt het bij 45 voor gezien, deze heeft ook 46 in huis. Maar de muilen vallen groot, zegt de verkoopster. En ja hoor: 46 past perfect. Nou ja, perfect, echt lekker zitten ze niet, met dat obstakel tussen de tenen. Je moet er iets voor over hebben, als moderne man.

Ondanks mijn ongeknipte teennagels hou ik ze meteen in de schoenwinkel aan. Om te wennen. Het wordt namelijk warm, maandag, minstens zo warm als vandaag. Ik wil ze aan naar mijn werk.

Welnu, over dat wennen: het lukt niet erg. De wandeling terug naar de fiets, met een tussenstop bij de H&M voor zwartwitgeblokte sokken – die ik in mijn nieuwe teengrijpers natuurlijk niet aan kan, tenzij ik er een stuk tussenuit knip – is een ware hel. Iedere stap heeft een stekende pijn tussen de grote teen en de teen ernaast – hoe heet die eigenlijk, wijsteen? – tot gevolg. Aan beide voeten, hoewel rechts nét een beetje erger. Mijn dochter van elf, die zich een tripje naar de stad niet laat ontzeggen en dus mee is, vindt dat ik me aanstel. Maar ja, zij is dan ook overtuigd en ervaren teenslipperdrager. Heeft natuurlijk nog nooit ergens last van gehad.

Het ritje terug op de fiets is, hoewel niet geheel pijnloos, een verademing, maar eenmaal thuis gaat de verzoeking onverminderd voort. En het is niet alleen dat teending, merk ik nu. Er loopt een opstaand randje over de hele breedte, waar de tenen als het ware overheen vallen, een randje dat garant staat voor een pijnscheut bij elke stap die ik zet. Maar ik moet ze aanhouden, ik moet blijven bewegen, anders went het nooit. Volgende week zijn de blaren weg, bezweert mijn dochter me tussen het “aansteller” scanderen door, maar volgende week is het mooie weer misschien ook weg. En wat weet zij er eigenlijk van? Ze heeft nog nooit ergens last van gehad, toch? Nou ja, een blaartje hier en daar, maar daar gooit ze gewoon een pak pleisters tegenaan. Waardoor de pleisters nu op zijn, dus die optie heb ik niet.

Tot diep in de nacht hou ik het vol, met tranen in mijn ogen. Morgen doe ik ze niet aan naar mijn werk. Morgenmiddag ga ik verder met wennen. Ik vrees dat ik geen teengrijperman ben.