Hangplek

Posted on 18 juli 2006

0


Tien paar ogen staren ons bewegingloos aan als we, ons van geen kwaad bewust, het marktplein van Coevorden opwandelen, van zins om op het terras van café-restaurant Candia ons diner te gebruiken. De blikken volgen ons tot we aan een tafeltje hebben plaatsgenomen, nestelen zich in onze uitheemse nekken. Ik voel me Jack Nicholson, Dennis Hopper en Peter Fonda tegelijk, bij het hartverwarmende welkom in een doods gehucht. De Jack Nicholson in mij moet het met de dood bekopen.

Er is al veel over ze geschreven, maar ik doe het hier nog een keer want ik heb ze nooit eerder in het echt gezien. Misschien moet je ze niet in een grote stad zoeken, ook niet in een middelgrote. In Coevorden hoef je ze niet te zoeken. In Coevorden zitten ze ruim in de kijker, recht tegenover café De Ganzenhoedster, met zicht op de fontein die diezelfde volkslegende zo treffend uitbeeldt.

Er zitten er drie op een bankje, met een verfijnde mix van streepjes- en ruitjesshirts. Korte, lichte broeken tot boven de melkwitte knie. De harde kern, blijkt later. De rest hangt om hen heen, zittend op de bagagedragers van hun SpartaMed met fietstassen en achteruitkijkspiegels, een enkeling nonchalant op zijn scootmobiel. Die laatste verzin ik er echt niet bij voor het dramatische effect.

Veel gebeurt er niet. De blikken zijn bij tijd en wijle nog op ons gericht, hoewel het duidelijk minder wordt nu we onze stoelen in positie hebben gebracht en, in afwachting van het bestelde, ongegeneerd terugstaren. Er wordt wat aan sigaretjes gelurkt, aan petjes – nee, niet achterstevoren – gefriemeld, men verzit eens een stukje om het vermoeide zitvlees lucht te gunnen. In doodse stilte wordt er gelonkt naar iedere beweging die het plein treft. Een duif is genoeg voor opwinding. Soms wisselt er een woord. Soms vervliegt er een woord voordat het eerste gehoorapparaat is bereikt. Meestal zijn er geen woorden nodig.

Diep in mijn hart zit ik te wachten op jonge meisjes die verbaal worden lastiggevallen. Ze komen niet. Ze weten natuurlijk allang hoe laat het is. Ook hier had ik het drama een handje kunnen helpen door enkele geblondeerde Coevordense deernes met blote, gepiercete navels en blubberbenen in veel te korte spijkerrokjes op te voeren, hevig verontwaardigd, gekrenkt in hun geblondeerde Coevordense trots. Maar ik ben er niet om hangouderen tot probleemouderen te maken. Ik registreer. Ik fotografeer. Ik ben geenszins in mijn eerste overdrijving gestikt, hoewel ademnood me niet geheel vreemd is.

Soms is er beweging. Tegen elke verveelde bejaarde die op de plek neerstrijkt, soms luid bellend, soms in glijvlucht, poetsen er twee de plaat. Soms zelfs drie. De bezetting van het bankje blijft onveranderd.

We drinken wat. Onze aandacht verslapt, wordt opgeëist door de kinderen. We drinken nog wat. Praten bij. We zien in onze ooghoeken de laatste fietsers vertrekken. Een woordeloze groet die alleen zichtbaar is voor het geoefende oog.

Tegen de tijd dat ons eten is gearriveerd, is ook het bankje leeg, staan ze allemaal bij moeders aan de afwas.

Posted in: Vakantioneel