Praatje [2]

Posted on 16 juli 2006

0


Er zijn technieken. Strategieën. Aanvalstactieken.

De buurman – laten we zeggen het exemplaar van drie plekjes verderop, aan de linkerkant (voor de kijkers rechts) – neemt een besluit: “We gaan een praatje maken met dat rare alternatieve stel uit de Randstad, met die ouwe meuk.” De buurvrouw schikt zich naadloos naar de overwinningsdrift van haar man.

Ze naderen geluidloos, terwijl wij in de schaduw van de parasol respectievelijk een tijdschrift zitten te lezen en de laptop op schoot hebben. De kinderen spelen in het opblaasbadje en hebben geen oog voor het naderende onheil. De buurvrouw neemt het voortouw, omdat de coördinaten van mijn vriendin dit voorschrijven. Ze zegt iets van: “Wat een heerlijk plekje is het hier toch, is het niet, buurvrouw?”

De vriendin in kwestie kijkt op van haar Volkskrant Magazine en geeft antwoord. Zo’n antwoord is doorgaans bevestigend, in een dergelijke situatie, maar ze gooit het vandaag over een andere boeg, met haar liefste glimlach: “Ik vind er helemaal geen reet aan, ik wou dat ik thuis was, nee, sterker nog, ik wou dat ik dood was, maar ja, de kinderen.”

Dit zou afdoende moeten zijn.

Ware het niet dat de buurvrouw zo geprogrammeerd is dat ze in alles een positieve respons hoort. “Het is hier zo rustig,” gaat ze verder, “en je komt hier uiteindelijk voor je rust, ja toch? En ach, die kinderen, daar hebben we eigenlijk bijna geen last van.”

“Vrouwen rond de 35 zijn zelfverzekerder,” antwoordt mijn vriendin, “hebben meer levenservaring en zitten seksueel lekkerder in hun vel dan op hun twintigste.” Ze leest voor uit het artikel waar ze net aan was begonnen, om het kostbare tijdverlies te beperken.

“Ze slapen om half twaalf nog niet, en vooral dat jongste meisjes (wat eigenlijk een jongetje is, maar van jongetjes met lang haar hebben ze in sommige delen van het land nog nooit gehoord) heeft zo’n hoge, doordringende stem, en ’s ochtends zijn ze voor zeven uur alweer op, en je komt hier toch voor je rust, uiteindelijk, ja toch?”

Ondertussen is de buurman via een omtrekkende beweging genaderd. Hij valt aan in de rug: “Zo, buurman, werk meegenomen?” (Vaak wordt ingehaakt op het door de echtgenote aangesneden onderwerp, maar enige creatieve inbreng behoeft niet geschuwd, wanneer de situatie het toelaat.)

Danig gestoord in mijn concentratie mompel ik iets terug, zo onduidelijk dat ik het zelf niet eens versta.

“De vakantie,” gaat hij door, “dat is toch een tijd om verschoond te blijven van computers en televisie, is het niet?”

Ik vraag hem hoe het dan zit met die schotel naast hun caravan, maar de Oost-Indische doofheid zit blijkbaar van beide kanten in de familie. Ik ben ook de rotste niet: ik vraag het nog een keer.

“O, die schotel,” zegt hij, “die schotel is voor het nieuws. Er zal maar iets ergs gebeuren, ja toch? Zo’n 11 september, dan wil je toch op de hoogte blijven.”

Ja.

Er zal maar iets ergs gebeuren.

Ik sluit me af van de wereld en zet mijn werk voort.

Posted in: Vakantioneel