Apeldoorn

Posted on 14 juli 2006

0


In Apeldoorn wonen ook mensen.

Men staat daar misschien niet iedere dag bij stil, maar het is wel degelijk het geval. Gewone mensen, ook, zo op het eerste gezicht, mensen als in iedere andere stad, in soorten, maten, kleuren en geslachten. De bevolking van Apeldoorn vormt, als we de merkwaardige tongval even buiten beschouwing laten, een redelijke dwarsdoorsnede van de samenleving.

Op het eerste gezicht.

Ga je wat beter kijken, vanaf een terras in het stadscentrum bijvoorbeeld, achter een glaasje van het een of ander, dan moet dit beeld misschien een heel klein beetje worden bijgesteld. Je moet er goed voor kijken, er de tijd voor nemen, je moet er even voor gaan zitten.

Maar dan zie je het.

De dikbuikige mensen zijn net iets dikbuikiger, zeg een procent of tien. Hetzelfde percentage geldt voor de ronduit lelijke mensen en, gek genoeg, dan weer niet voor de ronduit mooie mensen. Hoewel dat ook weer niet met zekerheid is te zeggen: ronduit mooie mensen heb ik eigenlijk niet gezien. In Twello dan weer wel, daar zag ik vanavond nog een ronduit mooi mens, eigenlijk even mooi als op andere plaatsen in het land, met dit verschil dat het een wel heel erg ronduit mooi mens betrof.

Maar in Apeldoorn?

Nee.

(Hetzelfde verschijnsel viel mij jaren geleden op in Schiedam, hoewel het geldende percentage daar zelfs ongeveer vijftien procent betrof. Ik ben me er wel van bewust dat ik in lang niet alle steden van Nederland ben geweest, dus het beeld kan lichtjes vertekenen. Het doet echter weinig af aan de feiten.)

“Wilt u een straatkrant kopen?” vraagt een verlopen Straatkrantverkoper. Straatkrantverkopers zijn in Apeldoorn pakweg tien procent verlopener dan Straatkrantverkopers elders, maar altijd nog net iets minder verlopen dan hun collega’s in Schiedam. Voor zover er straatkrantverkopers zijn in Schiedam, want dat weet ik eigenlijk niet zeker. Hoe dan ook: geen enorme verrassing.

“Nee hoor, vriendelijk bedankt,” antwoord ik. Waarop de straatkrantverkoper zegt: “Tweehonderdachttien.”

Tweehonderdachttien.

Zou dat alleen van vandaag zijn? Dat is niet misselijk. Of toch van de hele week? Ik help het hem hopen. Tweehonderdachttien. En het is net twee uur ’s middags!

Dan gaat men zich als weldenkend mens toch afvragen wat hij had gezegd als men wél tot aankoop was overgegaan. Ik vermoed iets tussen vier en negen. Laat het alsjeblieft meer zijn. Driehonderd. Is het driehonderd, dan valt tweehonderdachttien erg mee. Maar het is vast geen driehonderd. Misschien ook geen vier of negen, dat kan.

Wat ermee van doen kan hebben: er staan studenten – tien procent minder studentikoos – Volkskranten uit te delen. Waarom zou men een Straatkrant gaan betalen als men zomaar een Volkskrant cadeau kan krijgen? Men zal daar gek zijn. Stonden die studenten daar geen Volkskranten uit te delen, dan was het misschien honderdzesenveertig geweest, tegen achtendertig in plaats van negen (of vier). Nog niet erg hoopgevend, dat geef ik toe. Zo diep zijn we gezonken, in dit land.

In Apeldoorn.

Ja, daar schrik ik van. Maar het kan ook allemaal verbeelding zijn geweest.

Posted in: Vakantioneel