Gijs

Posted on 8 juli 2006

0


17.30. Gijs is kwijt. Hij is niet op zijn kamer, niet in het speeltuintje, niet aan het fietsen in de straat. Zijn moeder loopt als een kip zonder kop door de buurt, door het huis, zijn naam roepend. Geen reactie. Nergens.

18.00. Geen spoor. De politie is gebeld. Donkerblond jongetje, vijf jaar, bijna zes, oranje broek, oranje t-shirt. De buren zijn op de hoogte, hebben hun fietsen gepakt, doorkruisen de wijk. Roependen in de woestijn.

19.30. De moeder van Gijs fietst door onze buurt, aan de overkant van het spoor. We zijn toevallig buiten. Hij is al twee uur weg, zegt ze. Paniek in haar ogen. Ze is de straat alweer uit.

20.00. Ik ben ziek, ik wil naar bed, we gaan morgen op vakantie. Ik stap in de auto met mijn dochter, de moeder van mijn kinderen haalt haar fiets uit de schuur. We kunnen hier niet stil blijven zitten. Mijn zoon lag al in bed. Is Gijs weg? Gijs is wel vaak de weg kwijt, zegt hij.

Vanmiddag wilde Gijs dat mijn zoon mee naar huis ging, om met de houten trein te spelen, of buiten. Hij wilde niet, moest de schoolkrant lezen. Ik was boos op hem: wat is dat voor reden om niet met een vriendje te spelen? Stomme schoolkrant. Na vijf minuten was hij het al zat.

20.30. Overal komen we bekende gezichten op fietsen tegen, gezichten van het schoolplein, turend, vragend, telefonerend. De arm der wet. Ik vraag kinderen of ze een jongetje met een oranje broek hebben gezien. Je moet een kind van vijf niet alleen op stap laten gaan, zegt er één.

20.45. Op het plein waar Gijs woont ziet het zwart van de mensen, pratend, handen voor monden. Een politiebusje voor de deur. We rijden door.

21.00. We zijn al een uur aan het rijden, komen in wijken waar ik het bestaan niet van wist. Achterbuurten. Ik wist niet dat we zo veel achterbuurten hadden. Dikke, lelijke wijven, onooglijke kerels in vieze hemden en trainingsbroeken. Kratten bier, roestige auto’s, blote vrouwen op onderarmen. Bloeddorstige honden. Ondiepe slootjes. Ik zie een man met een snor die een ijzeren hek sluit, zenuwachtig om zich heen kijkt. Wat een enge, vieze man, denk ik. Marc Dutroux.

21.10. De brandweer rukt uit. De dregwerkzaamheden beginnen. Sloten, plassen, parkvijvers. De halve stad zoekt. Ik erger me aan iedereen die van niets weet.

21.20. De helikopters verlaten hun basis. Mannen en vrouwen met camera’s, schijnwerpers, nachtkijkers, getrainde ogen. Nu is het nog licht. Landsgrenzen worden scherp in de gaten gehouden: Belgische kentekens hebben de speciale aandacht.

21.30. Ze zitten in de woonkamer, terneergeslagen, moe, bang: vader, moeder, zus, baby. Iedereen zoekt, op al die plekken waar iedereen allang is geweest. Straks zullen ze naar de lucht staren, wanneer de helikopters over het huis razen. De onwetenden zullen zich afvragen wat er gebeurt. Gijs wordt wakker op zijn verstopplaats op zolder, stommelt naar beneden, staat met waterige ogen in de deuropening, vraagt wat er aan de hand is.

Posted in: Autobio