Volkssport

Posted on 2 juli 2006

0


Allereerst: ik ben me er terdege van bewust dat een woord als volksport vermeden dient te worden. Iets wat we vaak doen of goed kunnen volkssport noemen, of zelfs volkssport nummer één, dat is wel erg gemakkelijk. Ik heb het echter zo warm en ik voel me zo ziek dat ik niets beters kan bedenken.

Sorry.

Wat wij Nederlanders (ook zoiets) beter kunnen dan wie ook is klagen over het weer. Het is te koud of te warm, te nat of te droog, zelden is het precies goed en dus is het nooit goed. Ook als het eens een keer wél goed is: vier weken mooi weer zijn we na een halve week slecht weer allang vergeten.

Een herkenbaar beeld is het wel. Beneden de twintig graden, bewolkt en regenachtig is onder de maat voor een zomerdag.

Klagen.

Als dan de dag aanbreekt dat het drieëntwintig graden is, met een briesje, een vriendelijk zonnetje en een strakblauwe lucht, dan denk ik: zo moet het altijd blijven. Maar zo blijft het nooit: de volgende dag schiet het kwik door naar achtentwintig en de dag daarna is de dertig gepasseerd.

Puffen, hangen, zeiken, klagen.

Dat blijft een week zo en dan barsten de buien weer los, ja, precies wanneer je op vakantie gaat.

Langgerekte klaagzangen. Wat een kutzomer was het weer.

Vandaag is zo’n dag, deze week is zo’n week. Het wordt er allemaal niet makkelijker op als je dan ook nog ziek gelijk een hond bent, zoals ik. Ik heb een flinke kou gevat – hoewel wetenschappelijk onderlegden mij bezweren dat dat helemaal niet bestaat, maar dat moet ik misschien bewaren voor een volgend stukje – en voel mij dientengevolge al een paar dagen belabberd. Ik breng een monsterlijke hoest voort die de buurt in een ijzeren greep van angst heeft, mijn hoofd lijkt uit elkaar te barsten en als ik maar even de aanvechting voel om lekker te gaan liggen, klappen al mijn luchtwegen spontaan dicht. Ik voel me slapper nog dan die vorige keer dat ik dacht dat ik me nog nooit zo slap had gevoeld. Mijn maag rammelt maar ik moet niet aan eten denken. Mijn spieren, mijn botten, mijn huid, mijn zenuwen: alles doet pijn. De gedachte om voor wat dan ook het huis te verlaten vervult me met afschuw.

Dit is een vorm van klagen die mannen vooral goed schijnen te beheersen: de zeurende, fatalistische variant. Laat mij rustig sterven. Of trek die dagen er aan het einde van mijn leven maar af. Nu ken ik best vrouwen die het volop doen, ook als er minder of zelfs geen aanleiding toe is, maar dat zal niet representatief zijn: ik trek die mensen blijkbaar aan, ongeacht het geslacht. Ik vorm een inspiratie voor deze niet te onderschatten volkssport. Dit wordt een hit.

Kampioenschappen zijn er niet, maar dat is een kwestie van tijd. Neem bij voorkeur een labiel publiek met stemkastjes en een deskundige vakjury onder leiding van Hans Dorrestijn: de deelnemer die de meeste zelfmoordneigingen oproept heeft gewonnen.